Met rode konen kwamen ze gisteren in beeld, drie opgewonden kleinkinderen die zojuist dertig roze koeken hadden versierd voor de verjaardag van mijn kleinzoon Mike (sinds vandaag 7). De jarige is de eerste van een nieuwe generatie Elbers, die door mijn kinderen vlijtig op de wereld wordt gezet. Zijn geboorte bracht me destijds terug naar de geboorte van zijn vader en mijn oudste zoon, Nils. Wat een wolk van een baby was Nils geweest. Hollands welvaren, een heldere kop met gitzwart haar en handjes, die in plaats van knokkels acht minuscule putjes vertoonden. Alsof iemand, vlak voor de aflevering, hem een beetje extra had opgepompt. Zijn polsen waren onzichtbaar door het baby vet en het leek wel of zijn handjes als bij een pop aan zijn armen waren geschroefd. Je begrijpt: hier waren we heel zuinig op. Uit verantwoordelijkheid voor zo’n klein, schattig wezentje in huis besloot ik niet meer echt te slapen maar te dommelen, zodat ik iedere verdachte beweging kon registreren en direct kon handelen als de situatie daarom vroeg. Als ik wakker schrok uit zo’n hazenslaapje sprong ik uit bed en rende naar zijn wieg om te kijken of ie het nog deed.
Dit hield ik natuurlijk niet vol, de nachten werden weer langer en het vertrouwen in de nazaat groter. En de kleine man? Die sliep volkomen relaxed de hele nacht door en lag in de ochtend gewoon te wachten tot een van zijn ouders hem uit bed tilde. Als hij al huilde was het meestal van het lachen. Zijn rust en overzicht zijn jaloersmakend en ik beken eerlijk dat ik al vroeg mijn meerdere in hem moest erkennen op dat vlak.
Toen ik voor mijn werk een belangrijk document moest schrijven en voor de vierde keer opnieuw was begonnen besloot ik maar naar bed te gaan en de wekker vroeg te zetten. Ik viel in een diepe slaap en had een bijzondere droom. Via een luik had ik een vlizotrap uit het plafond gehaald en nam de eerste stappen. Ik stak mijn hoofd door het gat en zag Nils met zijn benen wijd op de grond zitten. Om hem heen lagen stapels met speelgoed en met zijn linkerhand (met putjes) bestuurde hij een autootje. ‘Ach pap,’ hoorde ik hem zeggen, ‘het lijkt soms een rommeltje, maar als je even je best doet is het zo opgeruimd.’ Ik schrok wakker, het zweet stond op mijn rug. Niet veel later belandde ik in dezelfde droom en de scene herhaalde zich. Het ventje zei nu niks, maar trok alleen een wenkbrauw omhoog.
Toen de volgende morgen de wekker ging en ik achter de laptop plaatsnam had ik het verhaal in een uur op papier. Inderdaad, het lijkt soms een rommeltje maar als je even je best doet is het zo opgeruimd. Ik kan niet wachten om morgen te komen proosten, Nils. Op jou en op de fraaie appel die niet ver van de boom valt.